De klederdracht van Scheveningen (Zuid-Holland)
Scheveningen, een 'dorpje' aan de Noordzee, heeft een dracht die sinds 1800 min
of meer hetzelfde is. Doordat dit een vissersdorpje is / was, is de mode van de
klederdracht beïnvloed door Spanje en Frankrijk.
De door-de-weekse dracht bestaat uit een hooggesloten jak gemaakt van wol in de
kleur zachtblauw, zachtgroen, bruin of grijs. Daarbij wordt een zwarte rok
gedragen (vroeger was die blauw) met daar overheen een fijngeruit schort, die op
zondag door een zwart glanzend exemplaar vervangen wordt. Dit schort heeft witte
zijranden omdat vroeger de zelfkant van de stof wit was. Tegenwoordig wordt er
een witte band op genaaid. In de zomer wordt er een doek bij gedragen in de kleur
van het jak. De doek is vierkant, maar wordt diagonaal gevouwen en met een speld
worden in de nek enkele plooien van de doek vastgezet. Dit is om de nek vrij te
houden voor de zak van de muts. Om de hals wordt een ketting van bloedkoraal of
granaat gedragen. Hoe rijker je bent hoe meer rijen je ketting heeft. De huidige
mutsvorm is nog niet oud. Omstreeks 1900 was de zak aan de achterkant veel kleiner.
Op zondag wordt een kanten muts gedragen. Bij slecht weer en door de weeks wordt
die vervangen door een effen witte. Onder de muts draagt men een oorijzer, die
van zilver gemaakt is. Vroeger werd er eerst een klein zwart mutsje opgezet.
Tegenwoordig wordt het oorijzer direct op het haar gedragen. Aan het oorijzer
zitten op het voorhoofd twee knoppen van goud filigrain (de zogenaamde boeken)
die met gouden hoedespelden worden vastgezet.
De rouwdracht is geheel zwart. De kanten muts van zondag wordt vervangen door één
van dikke witte katoen. Er wordt een zwarte omslagdoek gedragen met door de
weeks een zwart schort met een bijna onzichtbaar streepje. Ook het 's zondagse
schort is geheel zwart. Er wordt geen ketting gedragen maar eventueel wel zwarte
oorknopjes.
De klederdracht van Spakenburg (Utrecht)
De klederdracht voor vrouwen uit Spakenburg en het er naast gelegen Bunschoten
is erg opvallend. De rok is lang en zwart, er onder wordt een zwart-wit gestreepte
onderrok gedragen. Het schort is van blauw katoen, de bovenrand echter is van
geruite stof.
Rok en schort worden zeer scherp gestreken tot kleine rechthoekjes.
Tijdens het werk (vis schoonmaken) wordt vaak een eenvoudig wit werkschort
gedragen.
Het jak is zwart en heeft korte mouwtjes, daaraan worden losse geruite mouwtjes
(dezelfde stof als de bovenrand van het schort) met spelden vastgemaakt.
Over het jak heen draagt de vrouw een rechthoekige kraplap van heel stijf gesteven
katoen.
Deze kraplap, versierd met bloem- of andere motieven, wordt voor en achter met
banden aan het jak vastgemaakt. Middenvoor en -achter zit er een strook geruite
katoen overheen.
De kleur van de kraplap en van de geruite stof op mouwen en schort, is afhankelijk
van de huiselijke omstandigheden. In gelukkige tijden zijn de kleuren vrolijk,
voornamelijk rood en groen op een witte ondergrond. In zware rouw zijn de
versieringen paars, donkerblauw en wit op een zwarte ondergrond en bij lichte
rouw donker- en lichtblauw op een witte ondergrond.
Het mutsje is vrij klein, van zwart satijn gemaakt met daaroverheen een wit
gehaakt overmutsje. Dit mutsje wordt achter op het hoofd gedragen en met spelden
vastgezet. Het patroon van het witte gehaakte mutsje is zowat per persoon
verschillend, vaak zelf bedacht en meestal zelf gehaakt.
Overigens is de Spakenburgse klederdracht door de grote stijve klaplap niet echt
comfortabel voor volksdansers.
De klederdracht van Staphorst (Overijssel)
In Staphorst wonen verreweg de meeste mensen die nog dagelijks in klederdracht
lopen: 1800 vrouwen, 600 mannen en 500 kinderen. Dat is meer dan de
helft van de mensen die nog in Nederland in klederdracht loopt! Het
is ook bijna de enige plaats waar jonge meisjes nog dagelijks in hun dracht
lopen.
De daagse dracht bestaat uit een jakje met korte mouwen, een borstrok van zwarte
zijde of zwarte dralon met ingeweven bloemen. Daar overheen gaat de kraplap van
vrolijk gekleurde katoen of zwart satijn met handbedrukte bloemmotiefjes in rood,
geel, wit en blauw. Over de kraplap komt een doek van rode katoen met ingeweven
ruiten in blauw en wit, die diagonaal gevouwen wordt. Er wordt een halflange rok
bij gedragen van donkerblauwe of zwarte stof met daarover een schort
van blauwe katoen met een gebloemd of een geruit bovenstukje. Het schort is
tweezijdig draagbaar met aan de andere kant een ander gebloemd of geruit
bovenstukje. Dit is erg praktisch om altijd een schoon schort te hebben. De muts
is van zwart satijn gemaakt en is weer bedrukt met rode, gele, blauwe en witte
bloemetjes.
Hoelang de rouwdracht gedragen wordt hangt af van het verwantschap met de
overledene. Dit varieert van een maand tot wel vier jaar bij jonge weduwen. Zij
kunnen namelijk nog opnieuw trouwen. Oudere weduwen leggen hun rouw vaak helemaal
niet meer af.
Van erg zware rouw (zeer donker), wordt de dracht na verloop van tijd steeds
lichter en vrolijker. De rode doek wordt vervangen door een zwarte doek met
blauwe ruiten. De kraplap kan òf helemaal zwart zijn, òf zwart met witte
bloemetjes, òf van zwart satijn met Staphorster stipwerk in wit of blauw / wit.
Omdat in Staphorst veel mensen familie van elkaar zijn, komt de rouwdracht daar
erg vaak voor.
De mannen dragen een zwart hemdrok, die gesloten wordt met een dubbele rij
zilveren braamknopen. Verder een lange zwarte broek van Engels leer ofwel
'Pilo', dit ziet er suède-achtig uit. De broek wordt opgehouden door brede
witte bretels. Op het hoofd staat een zwarte pet.